Waarom er überhaupt een kantelpunt is
Beleggers kopen puts vooral ónder de huidige koers en schrijven calls vooral erboven. Daardoor verandert het teken van de dealer-gamma naarmate je langs de uitoefenprijzen loopt. Op één plek is de opgetelde gamma nul: dat is de flip.
Boven de flip domineert positieve gamma, met de kalme, terugverende markt uit de GEX-uitleg. Eronder domineert negatieve gamma en zetten bewegingen sterker door.
Waarom het niveau per bron verschilt
Twee aanbieders die dezelfde optieketen inlezen komen zelden op hetzelfde flipniveau uit. De verschillen komen uit:
- welke expiraties worden meegeteld (alleen de eerstvolgende, of alles tot een jaar vooruit);
- of index- en ETF-opties bij elkaar worden opgeteld;
- welke aanname er wordt gedaan over de kant van de dealer;
- of er gerekend wordt met actuele of met een dag oude open interest.
Een flip die per bron honderden punten kan schelen, is geen precisieniveau. Wie er stoplosses vlak onder legt omdat "daar de flip ligt", verwart een schatting met een muur.
Het niveau beweegt zelf ook
De flip is geen vast getal in de tijd. Elke dag komen er nieuwe posities bij, lopen er contracten af en verandert de volatiliteit — en dus schuift het niveau. Rond expiratiedagen kan het in één klap tientallen punten verspringen omdat een groot deel van de gamma simpelweg verdwijnt.
Het verschil tussen context en signaal
Als context is de flip bruikbaar: hij vertelt je iets over het regime waarin je die dag handelt. Als signaal is hij dat niet. "De koers is door de flip gezakt, dus verkopen" is geen strategie maar een gok met een technisch klinkende naam.
Wie dit in de praktijk toetst, doet dat het best zonder geld: op papier of in een simulatieomgeving, over honderden waarnemingen, met vooraf vastgelegde regels. Wat er dan meestal uitkomt, is dat het regime iets zegt over de spreiding van uitkomsten en niets over het gemiddelde.